|
Oudheid
Er was eens een opstandige prins van Singalese afkomst, Viyaya genaamd. Hij werd door zijn vader omstreeks 540 v.Chr. verbannen uit het koninkrijk in Noord-India, zo kwam het dat hij op Sri Lanka landde. Zo begint de geschiedenis van het eiland. In nog oudere verhalen komt het land mogelijk voor als "Lanka", "Taprobane", latere namen zijn ook "Serendib" of "Ceilo". Toen de prins op Sri Lanka aankwam, was het verbouwen van rijst er onbekend. Omdat er in Zuid-India al veel kennis over rijstbouw was verkregen, haalden de eerste koningen al Tamils, de inwoners van dat deel van India, naar Sri Lanka om rijst te verbouwen. Na vele eeuwen van regeringen onder koningen van velerlei afkomst met de nodige schermutselingen kwamen in de 12e eeuw Arabieren op het eiland. Deze kwamen vooral voor de handel maar overmeesterden het land niet. Dit was echter anders toen in de 15e eeuw de Portugezen op hun ontdekkingsreizen ook Sri Lanka aandeden.
Westerse invloeden
Omdat er net een oorlog woedde tussen diverse koningen op het eiland, werden de Portugezen gezien als de redders. Dus werden zij met gejuich begroet. Helaas liep het anders dan verwacht, want de Portugezen probeerden met man en macht het land aan zich te onderwerpen. Hierbij hoorde ook het bekeren tot het Rooms-Catholicisme. Heden ten dage herinneren vele namen van Portugese afkomst nog aan deze tijd, terwijl er ook RK-kerken zijn en een minderheid het RK-geloof belijdt. Het duurde niet lang of men had spijt dat de Portugezen de dienst uitmaakten. Toen de Nederlanders, aangetrokken door de prijs van kaneel, op Sri Lanka kwamen, werden zij als redders in de nood binnengehaald. Samen met de plaatselijke bevolking verdreven ze de Portugezen. Helaas, al spoedig bleek dat de Nederlanders ook geen lieverdjes waren, al probeerden zij hun levenswijze niet op te dringen aan de plaatselijke bevolking. Uit de tijd van de Nederlandse overheersing stammen stadjes als Galle en een bevolkingsgroep genaamd "Burghers". Aan het begin van de 19e eeuw moesten de Nederlanders het veld ruimen voor de Engelsen, die na 1815 het hele eiland beheersten. De Engelsen zorgden voor scholen, waardoor vooral in het noorden veel Tamils een Engelse opleiding kregen en op die manier in aanmerking kwamen voor een overheidsfunctie. Ook legden zij veel plantages aan waar onder anderen koffie, thee, rubber en kokos werden verbouwd. Toen door een ziekte alle koffieplanten werden gedood, schakelde men geheel op thee over. Het was echter moeilijk om aan personeel te komen en daarom haalde men weer Tamils uit Zuid-India naar Sri Lanka om op de theeplantages te gaan werken. In die tijd stond het land bekend als "Ceylon". Veel Engelsen konden niet goed tegen het tropische klimaat en bouwden in de bergen rond Nuwara Eliya landhuizen en legden er parken aan. Zelfstandige natie
In 1946 kreeg het toenmalige Ceylon een eigen grondwet en zelfbestuur binnen het Britse Gemenebest. In 1971 veranderde de naam in Sri Lanka en in 1972 trad het land uit het Gemenebest en werd geheel zelfstandig. Zoals in alle jonge naties had men met allerlei problemen te maken. Belangrijk echter is dat in de nieuwe grondwet alle macht aan de Singalezen toe wordt bedeeld, terwijl de officiële taal ook Singalees wordt. Veel "Burghers" verlaten het eiland. Vooral bij Tamils zet het opleggen van het Singalees als enige taal kwaad bloed en dit wordt na enige tijd teruggedraaid. In het noorden en oosten mogen Tamils nu weer hun eigen taal spreken en onderwijs geven. Maar men wil meer... Meer zelfbeschikking binnen het land. Dit escaleert in 1983 en is, ondanks de recente positieve ontwikkelingen, nog steeds niet tot een bevredigende oplossing gekomen. Veel onschuldig bloed is gevloeid. Ga naar vorige pagina
|